3e vasten / inleiding en enkele gedachten bij de lezingen van vandaag
Door Leonard Besselink
In de naam van de Vader, Zoon en heilige Geest, amen.
Het is vandaag internationale vrouwendag. Internationale vrouwendag komt voort uit het protest van vrouwen in het begin van de 20e eeuw over hun arbeidsomstandigheden, waarbij vrouwen uitgebuit werden en letterlijk geslachtofferd werden aan de druk van de bazen om rijk te worden. Er vielen doden bij branden in fabrieken. Het mondde uit in demonstraties door de vrouwen, niet alleen in Amerika, ook in veel landen in Europa (– niet in Nederland).
Vrouwendag leeft niet heel erg in Nederland, anders dan in Amerika en bijvoorbeeld in Italië, waar ik momenteel voor werk veel ben, waar 8 maart van oudsher een begrip is. Maar toch is de positie van vrouwen in Nederland niet altijd een heel gunstige. En dan doel ik nog niet eens op het schrikbarend aantal vrouwen dat door hun (ex-)partner wordt gedood: één vrouw elke andere week…
God, die wij kennen door Jezus zijn Zoon, de Gezalfde, staat naast al wie in de verdrukking komt. Hij staat ook naast de vrouwen in de verdrukking – voor altijd.
Wij horen vandaag in de lezingen over hoe het joodse volk – mannen, vrouwen en kinderen – dwalend door de woestijn dorst lijdt en boos wordt op Mozes en op God. Het gaat over het reddende water, het goddelijke water. Het water van de Redding is Jezus, die zich in het evangelieverhaal van vandaag openbaart als de Gezalfde, de Messias, aan een vrouw die door de mensen als een vreemdeling wordt beschouwd. Een vrouw.
Hij openbaart zich aan de wereld door vrouwen. Door de geboorte uit een vrouw, uit een geslachtslijn van niet alleen mannen maar ook vrouwen, bijzondere vrouwen, marginale vrouwen die heldinnen blijken.
Het waren vrouwen die stonden bij het Kruis waaraan een Jezus naakt hing en stierf voor ons.
Het waren de vrouwen die de eerste getuigen waren van de Opstanding, niet de mannen – zij geloofden het niet.
Het waren vrouwen die getuigen waren van de komst van de heilige Geest, toen de leerlingen zich opsloten.
Het was een vrouw die bekend stond als zondares, die de voeten van Jezus waste in haar tranen en afdroogde met haar haren; die zijn voeten met kostbare olie zalfde, tot ontstemming van de mannen; het was deze vrouw tot wie Jezus daarom zei: ‘je zonden zijn je vergeven’, want ‘zij heeft veel liefde betoond’ (Lucas 17, 47).
Durven wij daarom ook de barmhartige God te vragen om ons te vergeven.
EERSTE LEZING (Ex., 17, 3-7 Geef ons water om te drinken)
Uit het boek Exodus.
In die dagen, leden de Israëlieten tijdens de woestijntocht hevige dorst. Zij bleven tegen Mozes morren en zeiden “Waarom heb je ons weggevoerd uit Egypte als wij toch met kinderen en vee van dorst moeten sterven?”
Mozes klaagde zijn nood bij de Heer: “Wat moet ik toch aan met dit volk? Ze staan op het punt mij te stenigen.”
De Heer gaf Mozes ten antwoord: “Ga met enkelen van Israëls oudsten voor het volk uit, neem in je hand de staf waarmee je de Nijl geslagen hebt en begeef je op weg. Ik zal ginds, voor uw ogen, op een rots staan, op de Horeb. Sla op die rots er zal water uitstromen zodat de mensen kunnen drinken.”
Mozes deed dat in het bijzijn van Israëls oudsten. Hij noemde de plaats Massa [dat is: beproeving] en Meríba [dat is: Bekvechterij] vanwege de verwijten der Israëlieten en omdat zij de Heer hadden uitgedaagd door zich af te vragen: Is de Heer nu bij ons of niet?
EVANGELIE (Joh., 4, 5-42 Een waterbron die opborrelt tot eeuwig leven)
In die tijd kwam Jezus in een stad van Samaria, Sichar genaamd, dichtbij het stuk grond dat Jakob aan zijn zoon Jozef had gegeven.
Daar bevond zich de bron van Jakob en vermoeid van de tocht ging Jezus zo maar bij deze bron zitten. Het was rond het middaguur. Toen een vrouw uit Samaria water kwam putten zei Jezus tot haar “Geef Mij te drinken.” De leerlingen waren namelijk naar de stad gegaan om levensmiddelen te kopen.
De Samaritaanse zei tot Hem: “Hoe kunt U als Jood nu te drinken vragen aan mij, een Samaritaanse?” – Joden namelijk onderhouden geen betrekkingen met de Samaritanen. –
Jezus gaf ten antwoord: “Als je enig begrip had van de gave Gods en als je wist wie het is, die je zegt ‘Geef Mij te drinken’, zou je het aan Hem hebben gevraagd en Hij zou jou levend water hebben gegeven.”
Daarop zei de vrouw tot Hem “Heer, U hebt niet eens een emmer en de put is diep waar haalt U dan dat levende water vandaan? Bent U soms groter dan onze vader Jakob die ons de put gaf en er met zijn zonen en zijn vee uit dronk?”
Jezus antwoordde haar: “Iedereen die van dit water drinkt, krijgt weer dorst, maar wie van het water drinkt dat Ik hem zal geven, krijgt in eeuwigheid geen dorst meer; integendeel, het water dat Ik hem zal geven, zal in hem een waterbron worden, opborrelend tot eeuwig leven.”
Hierop zei de vrouw tot Hem: “Heer, geef mij van dat water, zodat ik geen dorst meer krijg en hier niet meer moet komen om te putten.”
Jezus zei haar “Ga uw man roepen en kom dan hier terug.”
“Ik heb geen man”, antwoordde de vrouw.
Jezus zei haar: “Dat zeg je terecht: ik heb geen man; want vijf mannen heb je gehad, en die je nu hebt is jouw man niet. Wat dit betreft, heb je de waarheid gesproken.”
“Heer, – zei de vrouw – ik zie dat U een profeet bent. Onze vaderen aanbaden op die berg daar, en jullie Joden zeggen dat in Jeruzalem de plaats is waar men aanbidden moet.”
“Geloof Mij, vrouw, – zei Jezus haar, – er komt een uur dat jij noch op die berg noch in Jeruzalem de Vader zult aanbidden. Jij aanbidt wat jij niet kent; wij aanbidden wat wij kennen, omdat het heil uit de Joden komt. Maar er zal een uur komen, ja het is er al, dat de ware aanbidders de Vader zullen aanbidden in geest en waarheid. De Vader toch zoekt mensen die Hem zo aanbidden. God is geest, en wie Hem aanbidden, moeten Hem in geest en waarheid aanbidden.”
De vrouw zei Hem: “Ik weet dat de Messias – dat wil zeggen: de Gezalfde – komt, en wanneer Die komt zal Hij ons alles verkondigen.”
Jezus zei tot haar “Dat ben Ik, die met u spreekt.”
Juist op dat ogenblik kwamen zijn leerlingen terug en zij stonden verwonderd dat Hij in gesprek was met een vrouw. Geen van hen echter vroeg: “Wat wilt U van haar?” of “Waarom praat U met haar?”
De vrouw liet haar waterkruik in de steek, liep naar de stad terug en zei tot de mensen:
“Komt eens kijken naar een man, die mij alles heeft verteld wat ik gedaan heb! Zou Hij soms de Messias zijn?” Toen verlieten zij de stad om naar Hem toe te gaan.
Vele Samaritanen uit de stad geloofden in Hem om het woord van de vrouw die getuigde: “Hij heeft mij alles verteld wat ik gedaan heb.” Toen dus de Samaritanen bij Hem gekomen waren, verzochten zij Hem bij hen te blijven. Hij bleef er dan ook twee dagen en door zijn woord kwamen er nog veel meer tot het geloof. Tot de vrouw zeiden ze: “Niet langer geloven wij om wat gij gezegd hebt, want wij hebben Hem zelf gehoord en wij weten, dat Deze werkelijk de redder van de wereld is.”
Enkele gedachten bij de lezingen
Hoe vaak gebeurt het ons niet dat we denken, waar is God? Waar is Jezus? Niet zelden vragen we dat, als het om ons heen niet meezit; als de wereld om ons heen er van God verlaten uitziet. Wat een puinhoop: wat een oorlog, wat een verdriet, wat een ten hemel schreiende armoede, en diepe ellende.
En als we aan iets begonnen zijn en het niet meezit, dan vragen we ons wel af: waarom zijn we hier in godsnaam aan begonnen?
Dat is ook wat de Joden in de woestijn deden, toen zij beproefd werden door dorst, dachten van dorst om te komen, dachten van God te zijn verlaten.
Mozes ging de berg op, met enkele van de oudsten van het volk, zoals God hem opdroeg; hij sloeg op de rots die waarop God stond, en het water dat het volk redde, stroomde uit de rots.
Juist als gelovigen vragen wij zo vaak: waar is God, waar is Jezus?
Wij doen dat omdat wij God zoeken. Soms doen we dat uit zwakgelovigheid: omdat we ons afvragen is God met ons of niet? – net als de Joden in de woestijn. Wij moeten daarvoor een berg op; tegenslag verduren, maar de blik omhoog gericht houden, gericht op de God aan de andere kant van ons bestaan. En wij weten het pas als we het reddend water proeven, en onze dorst gelest wordt.
In het Evangelie van vandaag lezen we hoe Jezus om water vraagt aan iemand die voor een Jood een vreemdeling moet zijn, een Samaritaanse vrouw. Er ontspint zich een gesprek waar de posities zich afwisselen. Eerst vraag Jezus haar om water. En de vrouw verbaast zich omdat Jezus de Jood niet met Samaritanen hoort te spreken. En dan draait de vraag naar water zich om, en zegt Jezus aan de vrouw: als je wist wie Ik was, dan zou je Mij om water vragen.
Dat de Samaritaanse vrouw iemand is waarmee Joden zich niet horen te verstaan, iemand die naar menselijke maatstaf niet tot de uitverkorenen zou kunnen behoren, wordt nog versterkt door het feit dat deze vrouw naar menselijke maatstaf een kennelijke zondares is die veel mannen heeft gehad en nu zegt een man te hebben die haar man niet is – dus kennelijk een man die van een andere vrouw is.
Dat het nu net aan déze vrouw is – degene die volgens de mensen toch niet een uitverkorene kan zijn (een vrouw nog wel!) – dat het nu net déze vrouw is aan wie Jezus zich openbaart als de Messias, de Gezalfde, de Christus – dat moet voor ons zwakgelovigen een troost zijn.
Hij openbaart zich aan haar, en daarmee aan ons, als de bron van water waar eeuwig leven uit opborrelt.
Hij is de bron van leven voorbij de dood. Onze hoop.
In deze vastentijd moeten wij ons vasthouden aan het geloof om de hoop van leven voorbij de dood, de hoop op de Gods verheerlijking waardoor wij ooit opgenomen worden in zijn eeuwig leven.
Wij weten hoe moeilijk het is dit vast te houden. Wij weten hoe zwak ons geloof is.
Wij weten hoe in het lijdensverhaal van Johannes, Jezus aan het Kruis als een van de laatste woorden zegt: ‘Ik heb dorst’ (Joh. 19, 28). En zij gaven hem gal en een spons met zure wijn.
Heer, kom ons ongeloof te hulp. Heer, laat ons blijven dorsten en zoeken naar U, bron van eeuwig leven. Laat ons aan wie vraagt om water aan deze niet gal of azijn aanbieden.
Heer, laat ons zelf bron van goedheid zijn, op weg naar eeuwig leven, met hulp van God, de Vader, de Zoon en de heilige Geest.
Amen
Slotlied tot Maria (Sant’Egidio) (3x)
Ween niet moeder van God, onder het kruis van de Heer,
en verheug u want Hij is verrezen.
In zijn lichaam ligt verscholen
heel de redding
en de bevrijding van elke mens.
